hedwig-wiebes
Hedwig Wiebes2

Hedwig is freelance journalist en schreef al voor o.a. Intermediair, De Volkskrant, NRC Handelsblad en Dagblad De Pers. Ze interesseert zich voor zoveel meer dan waar ze tijd heeft om over te schrijven, maar mensen zijn favoriet. Wat hen bezighoudt, wat ze denken, hun verhalen. Hedwig houdt van de zon, de liefde, lekker eten en haar twee honden. Ook houdt ze van lezen en heeft ze haar jeugddroom al waargemaakt: ze werkt zo nu en dan in een van de leukste boekhandels van het land.

De wildernis

Ik heb als kind nooit gekampeerd. Op vakantie moet je het minstens even goed hebben als thuis, is mij geleerd. Maakt mij dat een luxepaardje? Nee hoor. Ik vertrek vanmiddag nog als je hebt geregeld dat ik mag kamperen in de woeste natuur van Alaska, waar ik me moet onderdompelen in een ijskoude bergbeek om mezelf te kunnen wassen. Tientallen kilometers zou ik dagelijks te voet afleggen op de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella, waarna ik zou slapen onder de blote sterrenhemel. Met plezier. En ik weet dat ik niet de enige ben. Wie voelt niet die oerkreet diep vanbinnen, die je wil laten terugkeren naar de natuur? Niet gek ook, als je bedenkt hoe zeer de gemiddelde Nederlander is ingemetseld tussen bakstenen en asfaltwegen.
“It is the experiences, the great triumphant joy of living to the fullest extent in which real meaning is found. God it’s great to be alive!” schreef de Amerikaanse Christopher McCandless (Into the Wild). Hij liet het niet zitten bij mijmeren over de wildernis en vond tijdens het avontuur zelfs zijn tragische dood. Wel bracht het zijn geest tot grote hoogten – of hij raakte simpelweg buiten zichzelf vanwege voedselgebrek, maar dat terzijde.
Mijn eigen, meest recente drang naar avontuur vond niet lang geleden plaats. Samen met mijn moeder, zusjes en een zwager bracht ik een weekend door op Terschelling. Ik was er nooit eerder geweest. Zonde! Aan de andere kant: goed dat ik het nú in ieder geval ontdekte. Ik zou het gebrek aan bezoekjes hoe dan ook ruimschoots goed gaan maken, bedacht ik me opgewekt. Wat een geweldig eiland. Terschelling voelde van mij, alsof ik er in een vorig leven geboren en getogen was. Ik liep er rond en wist meteen de weg.
Een strandwandelingetje, even uitwaaien direct na aankomst? Lekker! Nee joh, laten we nou niet dat brede, geasfalteerde fietspad nemen. Zo ongezellig. Kom, hier is een paadje in de duinen, die had ik net al gezien. Ha, noemen ze dat konijnenpaadjes, ja? Nou inderdaad, inmiddels zou je niet zeggen dat hier normaal gesproken nog mensen lopen. Nou ja, wel mooi hier hè. Zo vrij. Hè gadver, het begint nu wel behoorlijk drassig te worden. Nee, niet zeuren. Gewoon doorlopen. Dat paadje is inmiddels nergens meer te bekennen, maar verderop is het vast zo weer droog. Tjemig, die struiken zijn wel behoorlijk hoog geworden nu. Moet je kijken, ik heb gewoon bloedende striemen op mijn enkels! Alsjeblieft, ga gewoon door. Mijn schoenen zijn óók doorweekt, maar teruggaan heeft geen zin, we zijn al te ver. Heeft echt niemand water bij zich?
Niet veel later hadden we al onze aardse bezittingen gegeven in ruil voor een helikopter die ons zó uit de duinen kwam oppikken. Er was al minstens een traan over een wang gebiggeld. We hielden dapper vol, want verdwalen in Nederlandse duinen loopt toch altijd goed af? Toch? Ja. Uiteindelijk kwamen we weer bij een pad en vonden we zelfs het strandtentje dat ons uren eerder was beloofd (en dat gewoon aan het eind van de ongezellige asfaltweg lag).
De duinen op een Waddeneiland zijn geen Alaska, maar dankzij een welverdiend biertje voelde ook ik mij best even verlicht.